“Och, ik heb geen problemen met een vreemde taal” hoor je regelmatig aan de koffietafel zeggen. Om een taal echt goed te kunnen spreken moet je eigenlijk een paar jaar in het land gewoond hebben. Nederlandse vakantiegangers spreken in Duitsland Duits met een Nederlands  tintje. Het “Camping Deutsch” klopt van geen kanten maar toch denken mensen dat ze uitstekend Duits spreken. Zo heeft de Belgische keeper  Jean Marie Pfaff zich onsterfelijk gemaakt in een interview voor de Duitse televisie met de volgende zin; “Ich habe elf messer gestopt” terwijl hij een bedoelde dat hij een penalty tegen gehouden had.

Zo heb je ook steenkool Engels en voetbaltrainers spreken een prima woordje Dunglish dat een samenvoegsel is van Dutch en English. Wat dacht je van de opmerking van Ronald Koeman: “We did that fortraffic”, hij vertaalde voortreffelijk in “fortraffic” maar had natuurlijk moeten zeggen: “Excellent”.

Frank de Boer wilde als trainer furore in Amerika maken. Bij de eerste persconferentie wilde hij zeggen dat hij geen lijken in de kast had gevonden maar de Amerikanen konden van zijn opmerking: “There comes a dead body in the closet” geen chocola maken. Vanaf dat moment werd hij niet meer serieus genomen en werd snel af geserveerd.

Louis van Gaal kreeg tijdens een interview de vraag hoe lang het zou duren voordat zijn elftal 90 minuten kon presteren. Het antwoord van van Gaal was: “It’s a question of time” en hij bedoelde dat het een kwestie van tijd zou zijn maar kwestie betekent in het Engels helaas geen “question”.

Net als buitenlanders in Nederland zullen wij in het Engels vaak een Nederlandse constructie gebruiken. Soms werkt dat prima maar vaak is het lachwekkend en in een enkel geval is het zelfs oppassen geblazen. Als je een beagle bestelt vraag je om een hond en niet om een “bagel”, een rond joods broodje met een gat erin. En als een Engelsman zegt: “Spring is in the air” bedoelt hij dat de lente in de lucht hangt en niet dat jij een gat in de lucht moet springen. Wat dacht je van het liedje “Oh Darling” van Theo Diepenbrock.