Enkele decennia geleden was het voor katholieke ouders een grote eer als een zoon priester werd of een dochter het klooster in ging. Het hele dorp werd versierd als de priesterzoon zijn eerste mis in de parochiekerk opdroeg. In mijn familie is zowel aan vaders als aan moeders kant geen roeping geweest. Wel was ene Henricus van Berlo, geboren in 1854 in Gemert, priester en heeft het geschopt tot professor in de theologie.  (gegevens Bertus van Berlo)

Mij is niet bekend of er in de familie vrouwen zijn geweest, die antwoord gegeven hebben op Gods roeping. Misschien ook wel goed want een slotklooster werd indertijd vergeleken met  een gevangenis. Het verschil! In een slotklooster kozen vrouwen, om Bruid van God te mogen zijn, vrijwillig voor eenzame opsluiting. Roothaert (auteur van Dr. Vlimmen) vergeleek in zijn boek “De Wenteltrap” de ambiance in zo’n slotklooster met een vrieskelder, waar “koestering des harten” uitgebannen was. De enige versiering  in de gang hing onder het schriele licht van een ganglampje: een glimmend hardgekleurde plaat van Maria met een vers uitgesneden runderhart op de borst geplakt. Zeven dolken, druipend met gelei-achtig bloed, waren symmetrisch ingeplant. Op de gepoederde wangen een snoer van tranen in gesmolten varkensvet. Nu zijn er ook kloosters, zoals klooster Nazareth, waar niet zo’n streng regiem heerste. Naast enkele uren per dag bidden in de kapel werd de meeste tijd besteed aan onderwijs en verzorging van zieken en ouderen in het dorp.

Toch was er bijna iemand van mijn familie ingetreden in het Klooster Nazareth. Een tante ging naar het klooster met haar dochter met het syndroom van Down. Mijn nichtje wilde niets liever dan in het klooster werken. Toen mijn tante aanklopte aan de deur van Klooster Nazareth zei ze dat haar dochter handig was, kon wassen, strijken en schoonmaken. Moeder Overste keek vanuit een luikje naar mijn nichtje en merkte op dat er in Gods huis voor haar geen plaats was en klapte het luikje dicht.  Mijn nichtje, hevig teleurgesteld, boog zich voorover en mompelde: “nondenondenon”! Mijn tante troostte haar en zei dat ze niet zo moest vloeken omdat ze anders nooit in het klooster zou komen. Een zus van het nichtje woont nu met volle tevredenheid in het geseculariseerde klooster. Als ik op een wandeling het “lieu de mémoire” passeer en het luikje in de deur zie, kan ik echter niet nalaten te  fluisteren: “nondenondenon”.